Eise Eisinga’s planetarium in het licht van nieuwe ontdekkingen
Van 1774 tot 1781 werkt Eise Eisinga aan zijn planetarium. Zes planeten, van Mercurius tot en met Saturnus, laat hij om de zon draaien. Zo’n 250 jaar na de voltooiing van zijn meesterwerk loopt alles nog steeds. In al die jaren stond de wetenschap niet stil. Hoe zou het planetarium eruitzien met de kennis van nu?
Een merkwaardige komeet
Op 3 mei 1781, in het jaar dat Eise zijn planetarium voltooit, verschijnt er een “Berigt voor de Liefhebbers der Sterrenkunde” in de Hollandsche Historische Courant. Een nieuwe komeet is aan de hemel gespot. Maar wel een merkwaardige komeet, want “zy heeft een uitermaaten helder licht, doch zonder dat men er iets van een Baard of Staart aan bespeuren kan, gelyk in de overige Comeeten.”
Later dat jaar, op 17 november, verschijnt opnieuw een bericht in de krant. “Het schynt thans eene uitgemaakte zaak te zyn, dat dezelve geen Comeet, gelyk men eerst gedagt heeft, maar wel eene Planeet is, tot ons Zonnestelzel behoorende, en bykans tweemaal zo verre als Saturnus van de Zon afstaande.”
De komeet bleek dus een nieuwe planeet, die later Uranus zou gaan heten. Eeuwenlang dacht men dat ons zonnestelsel uit zes planeten bestond, maar nu was duidelijk dat er nog een zevende planeet rond de zon cirkelt, die twee keer zo ver staat als Saturnus. William Herschel had hem op 13 maart 1781 ontdekt.
Wat vond Eise van Uranus?
Wat vond Eise van de ontdekking van Uranus? Hoewel Eise zijn planetarium al voltooid had, zal hij de sterrenkundige ontdekking met enthousiasme hebben gevolgd. Dat deze zevende planeet niet meer aan zijn houten model van het zonnestelsel toegevoegd kon worden, vond hij waarschijnlijk niet zo erg. Toen hij jaren later, in 1789, plannen maakte voor een tweede planetarium, was dat namelijk nog steeds zonder toevoeging van Uranus.
Neptunus: de achtste planeet
Het zonnestelsel bleek nog groter. Sterrenkundigen vermoedden al dat er een achtste planeet was, omdat ze onregelmatigheden hadden gevonden in de baan van Uranus. Die konden ze alleen maar verklaren door een achtste planeet. In 1846 werd Neptunus dan ook echt ontdekt aan de nachtelijke sterrenhemel. Eise heeft dat niet meer meegemaakt, maar zijn zoon Jacobus wel.
Met de ontdekking van Neptunus was het zonnestelsel drie keer zo groot geworden. Waar zouden de planeetbanen van de nieuwe planeten zich bevinden als ze werden toegevoegd aan het planetarium? Uranus zou in de gang moeten hangen en de baan van Neptunus zou langs de voorgevel gaan. Als Pluto nog werd toegevoegd zou die boven de Eise Eisingastraat hangen. En als de Oortwolk, vernoemd naar de in Franeker geboren astronoom Jan Hendrik Oort, óók nog aan het zonnestelsel werd toegevoegd, dan zou die beginnen bij station Franeker.